Met iets van schrik en schaamte vraag ik me af of ik wel iets weet en begrijp van wat ik zie in dit boek met fotošs van kantoren, werkplaatsen, fabrieken, bedrijfskantines en laboratoria. De omgevingen en de mensen op deze fotošs zien er alledaags uit, het is duidelijk dat hier geen uitzonderlijke gebeurtenissen plaatsvinden of nieuwsfeiten en beroemdheden worden betrapt. Dat weet ik, maar bij het zien van deze omgevingen en bezigheden besef ik vooral dat ik werk altijd een vreemd verschijnsel heb gevonden.
Als er nu iets doodnormaal is, zou je zeggen dan is het werk. Maar toch heb ik met dit boek op schoot de indruk een verkenning te zien naar een extreme en vreemde wereld. Ligt dat aan mij? Aan het feit dat ik opgroeide in een buitenwijk waar alle vaders uit weg gingen om te werken en nauwelijks iets mee terug namen dat aan hun werkomgeving herinnerde? Behalve hun aktentas en hun pak misschien. Ligt het eraan dat ik er van jongs af aan op aanstuurde om een leven te gaan leiden zonder baan en erin slaagde zo de kost te verdienen, en dus zelden of nooit een voet gezet heb in kantoren of fabrieken? Dat geloof ik niet.
De vreemdheid die ik bedoel is die van het werk als onderdeel in het leven van de kantoormensen en fabrieksarbeiders die ik op de fotošs zie, ook al zijn ze eraan gewend iedere dag naar hun werk te gaan. Het werk, de bezigheden waaruit het bestaat, de omgeving waarin het zich afspeelt en vaak ook de mensen met wie het samen gedaan wordt, staan apart van de rest van het leven. Het is een aparte wereld, die hen enkele tientallen uren per week opslokt en waar andere regels gelden dan in de rest van de week, waar ze op zichzelfš kunnen zijn. En het kan mettertijd wat zijn veranderd met de komst van digitale camerašs en fotograferende telefoons, maar tot voor kort wisten anderen vaak niet hoe de werkomgeving van hun partner, zus, buurman of kinderen er uitzag.
|
|