Brandende zon en woeste regens.
Bergen, oerwouden en woestijnen,
bewoond door miljoenen mensen,
van geelbruin tot blauwzwart.
Bewoond door nog meer dieren,
van piepklein tot reusachtig groot.
Een geheimzinnig continent,
in de vorm van een hart,
Afrika.
Er zijn sporen gevonden. Van elfduizend jaar geleden. Sporen van de eerste
mensen die in Afrika woonden. Op de rotsen aan de rand van de
Kalahari-woestijn. Rotstekeningen geschilderd door de voorouders van de
Bosjesmannen.
In 1652 landt een schip op het zuidelijkste puntje van Afrika. Bij Kaap de
Goede Hoop.
Kapitein Jan van Riebeeck stapt aan wal. Hij slaat zijn tenten op. Een mooi
rustpunt voor de Hollandse schepen die op weg zijn naar Indië, denkt hij.
Vers eten en vers water, na een maandenlange tocht over zee.
Hij laat een fort bouwen en een tuin aanleggen. Een bloemkolentuin.
Er komen meer Hollanders naar de Kaap.
Sommige blijven.
Andere trekken het binnenland in.
Ze reizen op grote houten karren met ossen ervoor. Honderden kilometers
vanaf de Kaap naar het noorden. Ze komen door een eindeloos droog gebied. Er
is bijna nergens schaduw. Nergens water. De zon brandt als vuur. De nachten
zijn ijskoud.
Onderweg komen ze mensen tegen die van de jacht leven. In kleine groepen te
voet rondtrekken. En vruchten en wortels verzamelen. Mensen die net genoeg
water vinden om te overleven. Die het land op hun duimpje kennen. Geen
bezittingen hebben. Niet in dorpen wonen. Altijd op reis zijn.
De Hollanders noemen die mensen de Bosjesmannen. |
|