Namewara heeft een foto van zijn vader, van het moment van het eerste
vreedzame contact van de Assuriní met de blanken. Hij praat fluisterend in
gebroken Portugees. 'We woonden in het oerwoud, alleen met Indianen. Onze
leider was mijn vader. Mijn vader ontmoette de blanke mensen. Hij ging jagen
bij de watervallen en kwam terug met grote messen. Daarna brachten we
schildpadden om te ruilen voor messen en ook voor bijlen en lucifers. We
liepen veel. We hadden maniok, aardappelen en bananen en maakten onze
tapirís, hutten van palmbladeren. Er waren toen veel oude mensen en bijna
iedere nacht zongen en dansten we.
Van mijn familie bleef ik alleen over.' Hij zoekt naar woorden, aarzelt,
zijn stem wordt steeds zachter, gaat over in zingen en zingt verder in het
Tupí, zijn eigen taal, liederen, verhalen van lang geleden die vertellen
over de geschiedenis van zijn volk. Over de dieren, maar ook over het
vliegtuig en daarna de griep.
Namewara zoekt steeds opnieuw contact, er is iets wat hij niet in woorden
kan uitdrukken.
Hij begint stralenkransen van jong palmblad te vlechten. Op een dag gaat hij
alleen op pad en een paar dagen later maakt hij fluiten van verse, helgele
bamboe met groene strepen. De grootste fluit is langer dan hijzelf. In het
bovenste segment van de holle stelen schuift hij een riet, gemaakt van het
uiteinde van een taaie palmtwijg, net iets ingesneden en met schorsvezel tot
een bolletje gewonden. Hij blaast en een diep, trillend geluid lijkt meer
uit de aarde te komen dan uit de fluit. De klanken gaan naar de grond en
komen weer terug, vol en sonoor.
Die avond is het plein in het dorp schoongeveegd. Drie mannen lopen dicht
naast elkaar, dansen, met de fluiten evenwijdig naar de grond gericht.
Namewara is een van hen. De voeten stampen, de knieën zijn licht gebogen en
ze hebben rinkelende, klepperende banden om de enkels gebonden. De muziek
vraagt om duisternis, komt los van de mensen. Na ieder lied klinkt er een
bevrijdende schreeuw. Een resonantie is voelbaar, met het oerwoud, met de
aarde, met het verleden. Een sigaar van wel een meter lang gaat van mond tot
mond. De mannen zuigen peinzend herinneringen naar boven.
Dan begint Namewara zacht te zingen, anderen zitten gehurkt en neuriën
woorden om één toon heen. De lucht vibreert tot een volle klank. Het oerwoud
ademt roerloos en antwoordt met een gezoem dat aanzwelt en weer zachter
wordt. Nachten als deze zijn heel zeldzaam geworden.
Het unieke besef van oneindig en tijdloos is gebroken.
|
|